De doorkliefde kikker en de moed van Wolkers
Ik had een vreemd moment, een vreselijk moment eigenlijk, vorige week bij het grasmaaien. De grasmaaier die ik net met een ferme duw over het lange gras had gehaald, bleef steken. Tussen de messen zat iets vast, iets wits. Er bewoog of trilde iets, wat bij nader inzien op een arm met een handje leek. Er kwam iets kleurigs uit het wit, darmen, gedraaid, feloranje ook, nat.
Het was een kikker, doormidden gesneden door de messen. Ik weet niet of hij leefde toen ik hem raakte, of dat hij al dood onder het gras lag, wellicht omdat een reiger hem had laten vallen. Ik weet niet of het door mijn eigen schrik of trillen kwam, dat het pootje trilde. Of dat het stuiptrekkingen waren, van de dood.
Ik kon niet lang kijken maar het lukte me het vrij grote lijfje uit de messen te bevrijden en ik zag hoe prachtig groen zijn kop en rug waren. Ik ging erop staan met mijn schoen, het beest was doorklieft en als het nog leefde, als ik het met de grasmaaier had verrast en vermoord, dan moest ik hem zo snel mogelijk uit zijn lijden verlossen. Ja, ik ging erop staan.
Het was zacht, gaf mee. Zonder nog te kijken naar het gehavende dier haalde ik een stuk keukenpapier uit het tuinhuis, pakte het op en twijfelde. De sloot in? Ik besloot het beest door de wc te spoelen. Zoals ik dat op driehoog in de stad ook wel eens doe met een dode muis. Zoals de stadsmens dat doet, met kleine kadavers, stront, beschimmelde soep en dergelijke zaken. Het riool als toegang tot de aarde, de plek waar het stof kan vergaan.
Ik rilde. Onder water kon de kikker nog behoorlijk lang doorleven en lijden als mijn gestamp hem niet had verlost. Wc, sloot, het was beide even idioot en het maakte niets uit, behalve dat hij in de sloot nog boven kon komen drijven. Was hij echt dood? Ik durfde amper meer te kijken. De arm met dat voetje, de witte weke buik, de nog heldere maar ook starre oogjes, het mooie groen op de kop. De poot had iets menselijks, iets naargeestigs gehad. Was dat stuiptrekken geweest?
Ik dacht aan Jan Wolkers die zeker langer had gekeken, met een mengsel van fascinatie, tederheid en horreur. Die moed kreeg ik niet verzameld. Het dier moest weg. Ik had deze majestueuze groene kikker misschien zelf wel vermoord.

















Meindert heeft ergens een halfbroer over wie hij nooit mocht praten, maar die wel zijn jeugd, en meer nog het leven van zijn moeder, aanzienlijk heeft bepaald. Nu zijn moeder ouder en vergeetachtiger wordt, begint ze opeens, in flarden, over haar oudste zoon te vertellen. Meindert besluit zijn halfbroer te gaan zoeken, al was het maar omdat die misschien een antwoord heeft op de vraag waar Meinderts vader vandaan kwam. Hij vindt Erik, een totaal ander type dan hij. De twee mannen voeren vanaf het eerste ogenblik een koude oorlog met elkaar. Hoe idealen, jaloezie, eenzaamheid en pijn, het lot en de verbondenheid tussen bloedverwanten vormgeven en bepalen. IJsheiligen is een indringende roman over botsende wereldbeelden, klasseverschillen en menselijk onvermogen. Lees hier 




Samen met reclamebureau