Op televisie

Op 1 mei jl. was ik 5 minuten te zien op de Nachtzoen waarin ik iets zei over het verschrikkelijke rangschikken, de meetgekte van deze tijd, en waarom we het tellen zouden moeten staken om de verbeelding en het verdwalen weer een kans te geven.

 

Het Liegend Konijn

Eens in de zoveel tijd mailt de Vlaamse dichter/prozaïst Jozef Deleu mij met de vraag of ik nog gedichten heb voor zijn mooie poëzie magazine, Het Liegend Konijn. Ik ben een trage dichter, maar het feit dat hij werk van me wil hebben zorgt voor de nodige aansporing. Na zo’n bericht van Deleu ga ik kijken in aantekeningen, naar bouwsels, geraamten van gedichten: wat is af, wat kan af, wat moet er nog gebeuren? Is dit het Het Liegend Konijn-waardig? Een grote publicatie met vijf lange gedichten vormde zo de basis voor mijn bundel Rijgen. Daarom ben ik blij dat er weer wat nieuw werk in de wereld staat in het nieuwste nummer van dit bijzondere tijdschrift.

 

Van Satan tot Sjopperdepop

Het mag niet meer over goed en kwaad gaan, want die zouden niet bestaan. De waarheid trouwens ook niet, die ligt sowieso in het midden. Grote verhalen hebben afgedaan. Alleen geloof ik daar geen snars van. Ik heb juist steeds vaker zin om te zeggen dat Het Kwaad aan de winnende hand is. Iedereen liegt, slechteriken zijn de nieuwe helden, het cynisme heerst. Satan, als die zou bestaan, staat tevreden in de coulissen zijn bokkenpoten tegen elkaar te wrijven.

Er is ook een link met die uitspraak: Omdat het kan. Gelegenheidsdief zijn, de boel bij elkaar jatten, manipuleren of fabuleren. Gewoon doen, omdat het kan. Omdat je zo wint en winnen wil iedereen. Het leven is een wedstrijd, een competitie. Zelfs kinderprogramma’s gaan hierover: mijn vader is de beste, wie maakt de beste cupcake. Plezier, of verbeelding staan hooguit ten dienste van de verkoop of de verstrooiing.  Wie is de beste? Dat is the bottom line.

Daarom vragen mensen in dit land ook aan dichters: Kun je daarvan leven dan? Dat is geen faux pas, geen blijk van afgestompte cultuurbarbaarsheid. Het is winnen. Het is scoren, want dat horen we al sinds de jaren tachtig, het gaat om de cijfers en om het rendement. Degene met de centen lacht het laatst. En die heeft gepakt wat hij pakken kan, al loog hij dat hij in Rusland in een datsja zat, of over zijn handeltje genaamd Sjopperdepop.  En noemt zich volksvertegenwoordiger.

Broze vogel

Mijn vader kan intens genieten van de drie katten in zijn huis en de vogels in zijn tuin. Hij weet dat deze liefde tegenstrijdig en onmogelijk is. Af en toe brengt zijn rode kater Snoet een vogel mee. Mijn vader buigt zich dan moeizaam over zijn stok om het kadavertje op te rapen en probeert met zijn laatste kracht om Snoet met het vogellijkje om de kop te slaan. Hoe we ook op mijn vader foeteren, hij blijft het doen.

Deze totaal zinloze strijd van mijn oude vader, tegen de natuur en de aard der dingen en dieren, ken ik al zo lang als ik me kan herinneren. Op mijn negende arriveerde er een gitzwarte kitten die we de debiele naam Koetie gaven. Hij heette eigenlijk Goliath omdat hij de grootste uit zijn nest was. We kregen hem van een Haagse dame die wekelijks de bus naar Arnhem nam om daar de Bijenkorf leeg te kopen, aldus mijn moeder die daar behoorlijk jaloers op was.

Koetie, alias Goliath, bracht al snel een merel mee door het kattenluik en mijn vader, nog een vitale dertiger, gaf hem hiermee een pak ransel op de overloop bij mijn slaapkamer. De zwarte merel landde op de zwarte kat. Veren vlogen in het rond en ik huilde van verontwaardiging. Om het nog erger te maken vertelde mijn vader me later die dag dat de kat een reeds gestorven vogel had thuisgebracht. Het katertje was nog te klein geweest voor zo’n volwassen merel, mijn vader had vliegeneieren op de vogelogen ontdekt.

Toen ik jaren later ‘Freedom’ van Jonathan Franzen las (the only major contemporary American novel to feature a significant cat-killing subplot) dacht ik terug aan deze jeugdscène. Franzen had het makkelijk, hij haatte katten en hield van vogels. Het maakte een oude woede in mij los.

Mijn vader is een schim van de knappe, meedogenloze dertiger die hij was, die zijn vrouw bedroog en onze katten belaagde. Met zijn grote bolle ogen, puntige gezicht en haren als dons, begint hij steeds meer op een vogel te lijken. Een broze vogel. Ieder oudjaar huilt hij om de dood van zijn geliefde rode kater Max. De kat die op oudejaarsavond 2012, tussen mijn vaders rug en de stoelleuning klom om te sterven. Inmiddels wacht hij zelf op zijn aangekondigde dood. Ondertussen luistert hij naar Haydn, straft zijn katten om hun aard, strooit cake en broodkruimels op het terras om vogels te lokken en gaat achter zijn tuindeuren zitten.

Een soort Arjen Fortuin

Ik droomde over mijn tuinhuis tussen het groen, in een kluwen van wegen die als slangen rond het tuinpark en de stad kronkelen. Het was, zoals dat in dromen gaat, niet langer de blauwgroene schuur die het is, maar een witgepleisterde datsja van twee geschakelde kamers. In die datsja waren meerdere tafels aan elkaar geschoven en daaraan zat een groot gezelschap. Een bevriende schrijver en tuingenoot zat naast mijn vader aan tafel. Mijn vader is in het echt nog nooit op mijn tuin geweest omdat hij al een jaar of 16, in een verkreukelde pyjama, achter zijn eigen tuindeuren in Wageningen verschanst blijft.

Mijn oude leraar Engels was er ook. Het gesprek ging over literatuur. Over literatuur in de jaren tachtig. Iedere roman die toen verscheen, zei iemand, werd uitvoerig besproken door mensen, ook in lessen Nederlands op het VWO. De man die dit beweerde had de autoriteit van een leraar Nederlands die al wat langer meegaat. Hij had bleekblonde krullen en een brilletje. Een soort Arjen Fortuin.

We spraken over boeken met personages die we niet sympathiek, of zelfs ongeloofwaardig vonden. Nu, zeiden we tegen elkaar, leggen we zo’n boek direct aan de kant, er zijn immers zoveel boeken die ook  gelezen moeten worden. Destijds lazen we door, hadden we het erover. Alle personages en boeken waren serieus onderwerp van gesprek. Dat het fictie betrof maakte personages niet minder relevant. Integendeel. We bespraken hun acties, hun motieven, de achterliggende gedachten van de auteur. We vroegen ons bij personages nooit hardop af: is dit de auteur zelf? Heeft hij of zij dit écht meegemaakt? We lazen boeken uit. Ook fictie die een beetje schuurde of rammelde, waar je je best voor moest doen, wat niet meteen als een smeuïg hapje naar binnen gleed. Zoals je oud brood opat als er niets anders voorhanden was. Het was de schaarste die iedere roman tot een gebeurtenis maakte.

Ik keek in de keukenkastjes om te zien of er nog drank was. De glazen flessen waren beslagen met condens, zoals dat in het echt gaat in een tuinhuis, bij grote temperatuurverschillen tussen dag en nacht, tussen lege schuur in het groen, en warmgestookte datsja opgevuld met eetgasten. Ik schonk de mensen bij. Mijn vader had het naar zijn zin en ik hield van iedereen.

Graaf van pachtgrond

Een gedicht dat eerder in Het Liegend Konijn verscheen. Een ode aan mijn volkstuin, de plek die ik de afgelopen jaren heb bevochten, samen met mijn vrienden op Amstelglorie. Een enerverende strijd tegen de landhongerige penthouse-patjepeeërs die er hun zinnen op hadden gezet.


Pachtgrond

Wees op de troost
die je beplantte,
waar je verbouwde
een blauwgroene
schuur bouwde waar
je rivierklei, roet
af moet wassen (de uitlaatgassen)
verkeer op je troost
in de oksel van wegen

waar je niet woont maar huist
een plek om te weten
wat er moet gebeuren waar
je vandaan komt, je plaats is
wat je verloor of niet
langer wil weten

ben, wees op die plek
om stekken, lege handen
volle agenda’s de grond
in te steken
verlaten te zaaien, beul
je af, graaf
van pachtgrond om scherven
uit andere eeuwen te oogsten
gedichten
te slapen, te lezen.

Oud peterseliewater

Twaalf jaar geleden schreef ik het gedicht ‘Oud peterseliewater’ (zie onder). Over de zoekmachine, dat venstertje waar je alles intypt wat je bezighoudt, van ‘rode vlekken met jeuk’ tot ‘vrijstaand huis aan rustige weg’.

Inmiddels levert de zoekterm ‘leeuwenkooien’ 30.200 resultaten op in plaats van 168. De algoritmen van Google leren voortdurend bij over leeuwenkooien, over ons. Er gaan verhalen rond over vrouwen die online advertenties voor zwangerschapstesten krijgen aangereikt voordat dat ze nog maar hebben bedacht dat ze misschien zwanger zijn.

Ik hoorde een wetenschapper onlangs zeggen dat de algoritmen binnenkort meer over ons weten dan wijzelf: wat we voelen, verlangen, hoe de rest van ons leven eruit zal zien. Want we blijven het beest voeden met onze vragen. Maar wat zullen bedrijven als Google en Facebook met al die kennis doen? In ieder geval wordt er stevig verdiend aan onze meest persoonlijke zoektochten, verhalen, contacten en diepste gedachten. Data brengen ons steeds beter in kaart en dat vind ik beklemmend.

Toch blijven er vragen, fenomenen, associaties waar het orakel geen antwoord op heeft. Zoals de geur uit een glas water waarin een bosje peterselie staat. Na een paar dagen ruikt het naar de kooien van grote katten in een dierentuin: penetrant.  Twaalf jaar geleden leidde die associatie tot dit gedicht. Ik hoopte, en dat doe ik nog altijd, dat er niet voor alles een antwoord is. Dat we ons blijven verwonderen en hierin vrij kunnen zijn. Dat ons leven en noodlot niet alleen meetbaar en voorspelbaar, maar ook wonderlijk, onverwacht, speels, raar, tragisch en mooi kunnen blijven.

Oud Peterseliewater

Google heeft een venster voor vragen
geeft 168 resultaten op ‘leeuwenkooien’
en ik wil zelf door het venster:
waarom is dit klein
donker, moe, af en toe walgend
soms ook blij
wat vindt de zoekmachine
over hen, mij en alle raadsels die
door onze dagen hangen als slingers
zonder aanleiding of feest

welke woorden steken ons uit
dit taaie deeg of tijd of leven; wat
moeten hongerige woordenzoekers geven
voor een antwoord op de vraag
of er iets overblijft als wij besluiten
niet langer naar elkaar te luisteren?

Oud peterseliewater ruikt
naar leeuwenkooien maar zoekacties hierover
kan Google niet bevredigend voltooien
ook krijgen we geen antwoord op de vraag
of vogels af en toe gaan vliegen
om te spelen en waarom veel van onze oude moeders
eigenlijk niemand hebben
om hun leven mee te delen

(Uit: Anders komen de wolven, Nieuw Amsterdam, 2006)

Woningnood

Ik hoor er niet, ik mag er niet meer in
want alles is verhuurd, verkocht, te duur
geen gat is er nog over, en wat
er staat aan steen en glas, behoort
aan anderen toe, hen met geluk
de juiste timing, het vermogen
om te blijven waar ze huizen.

Zoveel ramen leeg en zwart totdat
bewoners thuiskomen
maar deze stad zit dicht voor mij.
Er was een jongen in een pak die deed
alsof hij wel wat had voor iets
dat hij, heel chique, courtage noemde.
Hij belt niet terug, de ambtenaar
die over wonen ging, hing mijn gesmeek
op met nadrukkelijke groet
wat voelde als paniek, of honen.

Lange strengen jachtigen
bevechten kruispunten per fiets
op weg van huis naar werk dat hen
een hypotheek of huur verschaft. Ik hang
erboven, uit een geleend balkon
van hen die geen toeristen kozen
maar iemand voor de kat, ik tel
de dagen tot zij terug zijn en opnieuw
mijn plek verlies in deze stad.

De doorkliefde kikker en de moed van Wolkers

Ik had een vreemd moment, een vreselijk moment eigenlijk, vorige week bij het grasmaaien. De grasmaaier die ik net met een ferme duw over het lange gras had gehaald, bleef steken. Tussen de messen zat iets vast, iets wits. Er bewoog of trilde iets, wat bij nader inzien op een arm met een handje leek. Er kwam iets kleurigs uit het wit, darmen, gedraaid, feloranje ook, nat.

Het was een kikker, doormidden gesneden door de messen. Ik weet niet of hij leefde toen ik hem raakte, of dat hij al dood onder het gras lag, wellicht omdat een reiger hem had laten vallen. Ik weet niet of het door mijn eigen schrik of trillen kwam, dat het pootje trilde. Of dat het stuiptrekkingen waren, van de dood.

Ik kon niet lang kijken maar het lukte me het vrij grote lijfje uit de messen te bevrijden en ik zag hoe prachtig groen zijn kop en rug waren. Ik ging erop staan met mijn schoen, het beest was doorklieft en als het nog leefde, als ik het met de grasmaaier had verrast en vermoord, dan moest ik hem zo snel mogelijk uit zijn lijden verlossen. Ja, ik ging erop staan.

Het was zacht, gaf mee. Zonder nog te kijken naar het gehavende dier haalde ik een stuk keukenpapier uit het tuinhuis, pakte het op en twijfelde. De sloot in? Ik besloot het beest door de wc te spoelen. Zoals ik dat op driehoog in de stad ook wel eens doe met een dode muis. Zoals de stadsmens dat doet, met kleine kadavers, stront, beschimmelde soep en dergelijke zaken. Het riool als toegang tot de aarde, de plek waar het stof kan vergaan.

Ik rilde. Onder water kon de kikker nog behoorlijk lang doorleven en lijden als mijn gestamp hem niet had verlost. Wc, sloot, het was beide even idioot en het maakte niets uit, behalve dat hij in de sloot nog boven kon komen drijven. Was hij echt dood? Ik durfde amper meer te kijken. De arm met dat voetje, de witte weke buik, de nog heldere maar ook starre oogjes, het mooie groen op de kop. De poot had iets menselijks, iets naargeestigs gehad. Was dat stuiptrekken geweest?

Ik dacht aan Jan Wolkers die zeker langer had gekeken, met een mengsel van fascinatie, tederheid en horreur. Die moed kreeg ik niet verzameld. Het dier moest weg. Ik had deze majestueuze groene kikker misschien zelf wel vermoord.